1 januari 2022 | Een goed begin

De parkeerplaats bij de ingang is volledig bezet. Naast de ingang staat een in zwart geklede beveiliger. Zijn opdracht is niet het controleren van de kaartjes maar het toezien op de toeloop en de naleving van de anderhalve meter afstand. Verbaasd over deze drukte op nieuwjaarsdag parkeer ik mijn auto verderop aan de andere kant van de doorgaande weg. Net als de nieuwjaarsduik in zee is ook wandelen een maatschappelijke traditie. Maar met de intocht van corona heeft het wandelen een enorme vlucht genomen. En dat is deze eerste dag van 2022 goed te merken. Ik doe er gewoon aan mee.

Via het vlonderpad, langs het - opnieuw - gesloten bezoekerscentrum, over de nieuwe voetgangersbrug van het Noordoosterkanaal en de kop is eraf. De drukte van parkeerplaats en ingang ben ik vergeten. Elke keer is dat het verrassende effect van dit gebied: ruimte en rust. Hoe druk het ook lijkt, na een kilometer, soms twee, krijg ik het in mijn bol het gebied voor mezelf te hebben. Bijna dan.

Net als in 2021 maak ik mijn nieuwjaarswandeling door de Amsterdamse Waterleidingduinen. De jaarkaart is voor 2022 al besteld. Liep ik toen een vastgestelde route, vandaag verzin ik er ter plekke een. Nou ja, niet helemaal op gevoel. Thuis bekeek ik online de kaart om enigzins richting te geven aan een tocht van 10 kilometer. Verder wil ik zoveel mogelijk langs de kanalen lopen en hopelijk ontmoet ik enkele gevleugelde wintergasten. 

Vanaf de Oranjekom loop ik zo dicht mogelijk langs het Sprenkelkanaal naar het westen, zeg maar richting het strand. Eenmaal bij het waterkruispunt van Sprenkelkanaal, Nieuw Kanaal en Van der Vlietkanaal volg ik de laatste in noordwestelijke richting, op naar Zandvoort. De vorige keer liep ik aan de overkant, door het 'hooggebergte'. Vanaf hier herken ik de toppen terug waar ik toen omhoog kluunde door het mulle duinzand. Aan deze kant zoek ik een pad naast het kanaalwater. Weinig wandelaars gebruiken de off the road-paden terwijl het hier juist mag. Een groepje neergestreken volwassenen met kinderen kijkt mij wat betrapt aan als ik in hun richting loop. Ik ben op zoek naar een geitenpaadje maar achter hen lijkt de doorgang te stoppen. Misschien juist de reden waarom ze hier uit het zicht een winterpicknick houden. Ik vraag of ik verder kan doorlopen maar ze reageren niet. Ook wintergasten, vermoed ik. Voor een paar honderd meter lukt het me om tussen het stro-achtige oevergras een paadje te volgen maar uiteindelijk kies ik het droge, hogergelegen karrenspoor. Dit loopt even beter.




Voor het einde van het Van der Vlietkanaal dwingt de weg me naar links. Doorlopen kan niet, tenzij ik de bordjes met verboden toegang negeer. Voorbij de bordjes, ongeveer parallel aan de zeereep, ligt het voor publiek verboden gedeelte van het infiltratiegebied. Hier wordt voor een belangrijk deel het Amsterdamse kraanwater op natuurlijke wijze voorgezuiverd. Ik weet mijn nieuwsgierigheid te onderdrukken. Wel kan ik het klinkerpad volgen maar dat ligt erg voor de hand. Hier lopen de wandelaars, zo dicht in de buurt van de ingang Zandvoortselaan, als een soort zwaan-kleef-aan met gepaste afstand achter elkaar. Ineens zie ik in mijn ooghoek heel onopvallend in het mosgroen een paadje naar een hoger gelegen bomenrij. Geen bordje verboden toegang, dus het mag. Het voert over een soort dijkje door een smalle bosrand, rechts ligt het lagergelegen Barnaartkanaal. Het verharde pad links van me verdwijnt verder en verder uit het zicht. Beneden aan het water spot ik af en toe een hert. En als de bomen even later plaatsmaken voor zwartmodderige paadjes blijf ik het water volgen. Een enkele keer zie ik een schoenprofiel, voor het overige zijn het hertenpootafdrukken. Duidelijk een drukke route. Het is drassig, vooral heel drassig en dus wissel ik het laatste stuk langs het Barnaartkanaal in voor een verharde weg tot aan de Wulpweg. Bij een stuw links hebben twee elegante knobbelzwanen meer interesse voor het leven onder water dan erboven. Kennelijk valt er juist bij de stuw iets te knabbelen. Ze laten zich meedrijven op de sterke stroming en zwemmen al foeragerend terug. Zachtjes snuiven ze als ik dichterbij kom, maar het is geen sissen. Ook de vleugels blijven dicht. Ze drijven lichtjes mee op het water of ze niets wegen.


Ik laat het zwanenpaar rustig verder eten en volg dan een slingerend kanaal over de linkeroever. Elke wandeltocht verbaas ik me hoe helder het water is. Aan de rand waar het water tot stilstand is gekomen, liggen de lege, puntiggedraaide witte en crèmekleurige huizen van de poelslak. Behalve slakken moeten er vissen zwemmen want ook aalscholvers leven in grote getale in dit gebied. Ik zie er regelmatig een overkomen met zijn snelle geklapwiek. Ze liggen niet alleen laag in het water maar hangen ook zwaar in de lucht. Alsof elke vleugelslag hem in de lucht moet houden.

Zuidelijker kom ik langs het Zwarte Veldkanaal te lopen, een verwijzing naar het naastgelegen Groot Zwarteveld waar restanten zichtbaar zijn van de voormalige huisakkertjes van duinboeren of duinmeiers. De waterleidingduinen bezit veel historie, vooral te herkennen aan de vele bijzondere of grappige namen. Vanaf elke hoofdingang is er dan ook een speciale route met duinverhalen.


Kuierend over de grasgroene oever langs het Zwarte Veldkanaal ontmoet ik weer een hert. Het is er niet een. Heel onopvallend tussen de takkige bosjes zie ik het gewei van een tweede hert. Ook spot ik een torenvalk hoog in de lucht. Tot driemaal toe biddend in de lucht komt het niet tot een duikvlucht. Hij geeft het op en met een nonchalante zwaaibeweging zoekt hij zijn maaltijd verderop. In de verte hoor ik een enkele blaf. Ik sta stil. Honden zijn hier niet welkom maar ik zie ook niemand. Zou dit het geblaf zijn van een rekel op zoek naar een moer? Het is immers zo'n beetje vossenverkeringstijd. Het blijft bij een enkele blaf. Een reactie blijft uit en ik loop door.





Verderop volg ik het pad omhoog naar de Strandweg en met een kleine omweg pak ik nog een stukje langs het Nieuw Kanaal mee. Hoewel inmiddels aardig in de buurt ben ik nu op de hoogte van de ingang van het Panneland. Ik moet nog iets noordelijker uitkomen en volg het kanaal richting het vogeleiland. Maar eerst neem ik een kijkje bij Schuil en Rust - een toepasselijker voor een honderd jaar oude jachthut verzin je niet. Nu nog is de naam toepasselijk maar dan als schaftkeet voor medewerkers.


Voorbij de dam passeer ik het vogeleiland, de natuurlijke verhoging in de waterrotonde. Op de oever aan mijn kant ligt de vogelkijkhut. Het is als een natuurlijke skybox tussen grove houtsprokkelwallen, met het beste zicht op het water en het eiland want daar gebeurt het allemaal. De houtwallen creëren een mini-leefgebied rondom de hut. Het is er een drukte van belang met allerhande mezen en vinken. Ze kwetteren erop los en springen of vliegen van tak naar tak, van struik naar boom of terug. Voor deze snaveltjes is hier vanalles te vinden. Na de waterrotonde steek ik verderop weer het Sprenkelkanaal en loop ik aan dezelfde kant als de heenweg. Behalve dat ik een pad ontdek waardoor ik nog dichter langs het water kan lopen. Helaas ook hier geen wintergasten maar het water kleurt als toegift onnederlands blauw. Als ik van het vlonderpad weer bij de uitgang kom, met 11 kilometer op de teller, staat er inmiddels een lange file van auto's te wachten voor de slagboom van de parkeerplaats. Ik snap hen wel. Wintergasten of niet, een bezoek aan dit gebied is het wachten waard.




Geen opmerkingen:

Een reactie posten